De bacteriebelasting behoort tot de doorslaggevende parameters die de prestaties van een watermengbaar koelsmeermiddel (KSM) beïnvloeden. Om te voorkomen dat bacteriën, schimmels en gisten de prestaties van het koelsmeermiddel kunnen beïnvloeden of zelfs niet meer bruikbaar zijn, worden biociden gebruikt. Als smeermiddelexpert leggen wij u bij Rhenus Lub uit welke biociden in de koelsmeermiddelen worden gebruikt, hoe ze werken en welke toekomstbestendige alternatieven nu al bij ons verkrijgbaar zijn.

Biociden werken – als ze op de juiste wijze zijn gedoseerd

Biociden bieden koelsmeermiddelen meer stabiliteit op de lange termijn,
omdat ze bacteriën (gisten, schimmels en bacteriën) in de emulsie verminderen of de groei ervan verhinderen. Om ervoor te zorgen dat het koelsmeermiddel maximaal kan presteren, is een exacte dosering van de biociden vereist: Bij een te geringe dosering bestaat het gevaar dat de groei van bacteriën niet volledig wordt gestopt. Bij een te hoge dosering van biocide kunnen een geïrriteerde huid en andere allergische reacties optreden bij personen die met het middel in contact zijn gekomen. Dit is een probleem dat de wettelijke maatregelen ter bescherming van de werknemer betreft en niet alleen voor machine-operators geldt.

Toegestane biociden op de positieve lijst

Het is hierbij niet alleen belangrijk dat biociden goed tegen schadelijke organisme beschermen, maar ook dat ze een hoge bescherming bieden met betrekking tot gezondheid en milieu. Met de Europese biocidenverordening uit 2012 zijn biociden volgens deze criteria getest en, indien vrijgegeven, in een positieve lijst opgenomen. Daarbij is voor koelsmeermiddelen het productart. 13 van belang, waarin alle in Europa goedgekeurde stoffen met hun naam, soort toepassing en hun eigen identificatienummer zijn vermeld. Momenteel zijn 26 werkzame stoffen in de voor KSM relevante groep toegestaan. Vanwege de hoge registratiekosten is het echter niet zeer waarschijnlijk dat er op korte termijn nog meer biociden worden toegevoegd. Regelmatige controles garanderen dat de vermelde biociden nog steeds aan de huidige stand van de techniek en wetenschap voldoen.

biociden laboratorium

Biociden in één oogopslag

Voor het koelsmeermiddel zijn deze biocidengroepen met bijbehorende producten goed geschikt:

Formaldehyddepotstoffen

Negen van de 26 goedgekeurde biociden behoren tot de voor KSM belangrijke groep van de formaldehyddepotstoffen.

  • zorgen voor een goede KSM-stabiliteit
  • hebben een langdurig effect

het REACh-comité maakte in juni 2017 de 10e Aanpassing aan de Technische en Wetenschappelijke Vooruitgang (ATP) bekend, waarin ook drie zeer effectieve formaldehyddepotstoffen worden vermeld:

  • Methyleenbismorfoline (MBM)
  • Trimethyltriazinetriethanol (HPT)
  • Methyleenbis (5-methyloxazolidine) (MBO)

Deze drie stoffen worden in de toekomst als carcinogeen 1B, mutageen 2 en huidsensibiliserend 1B geclassificeerd en voorzien van de etikettering H 350 ‘Kan kanker veroorzaken’. De etikettering moet uiterlijk 1 december 2018 worden ingevoerd. Binnen de huidige overgangstijd hoeven echter nog geen maatregelen te worden getroffen.

Als de theoretische maximale afgifte van formaldehyde lager is dan de grenswaarde van 0,1% (=1.000 ppm), is een classificering van de carcinogeniteit of de kiemcelmutageniteit van een mengsel of KSM-concentraat in het algemeen niet nodig.

Isothiazolinone

De groep isothiazolinonen omvat vijf biociden en is voor KSM eveneens belangrijk.

  • Chloormethyl- en methylisothiazolinone worden voornamelijk gebruikt voor het naconserveren; ze werken zeer snel, maar blijven niet lang werken.
  • Benzisothiazolinone heeft een betere langdurige werking omdat het in koelsmeermiddel stabiel is.
  • Butylbenzisothiazolinone en octylisothazolinone hebben een hoge fungicide werking.

Het voordeel ten opzichte van formaldehyddepots is dat het reukvrij is.

Overige stoffen

Met fenolen, fenolderivaten, alcoholen en fungiciden er is nog een andere groep van andere stoffen.

  • Orthofenylfenol (en natriumzout) hebben een goede fungicide werking; ze worden ook voor tropische vruchten gebruikt om de schillen te conserveren.
  • De werking van fenoxyethanol is voornamelijk bacteriostatisch; het wordt in hoge concentraties gebruikt.
  • Natriumpyrion en joodpropynylbutylcarbamaat hebben een sterke fungicide werking.

Klaar voor de toekomst dankzij het alternatieve biocide

In de huidige discussie over biocide wordt er in het bijzonder aandacht besteed aan formaldehyddepotstoffen. Het is duidelijk dat alternatieve biocide in watermengbare koelsmeermiddelen op de lange termijn een steeds grotere rol gaan spelen. Degenen die verantwoordelijk zijn voor de productie moeten daarom tijdig overschakelen op duurzame alternatieven.

Met Rhenus Lub ook bij biociden toekomstbestendig

Bij Rhenus Lub gebruiken wij voor onze koelsmeermiddelen alleen biociden, die een goedkeuring binnen de Europese biocide-verordening hebben gekregen. Daardoor garanderen wij u dat nu en in de toekomst, aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. Wij zorgen ervoor dat biociden in onze koelsmeermiddelen altijd exact gedoseerd zijn en ze bacteriën en bacteriën betrouwbaar onder controle hebben. Daarmee bieden onze KSM tegelijkertijd de beste bescherming voor de gezondheid.

Als smeermiddelexpert omvat ons productenassortiment nu al koelsmeermiddelen, waarbij we geen formaldehyddepotstoffen gebruiken. In plaats daarvan gebruiken wij alternatieve en toekomstbestendige biociden (bijvoorbeeld isothiazolinone, fenolen of alcoholen), die op de lange termijn niet onderdoen voor de stabiliteit van formaldehydepotstoffen. Hierdoor kunt u nu al voor een toekomstbestendige en gezondheidsvriendelijke aanpassing van uw productieproces zorgen.

Daniele Kleinmann
Hoofd Productmanagement
Koelsmeermiddelen

Telefoon +49 2161 5869-45
kleinmann@rhenusweb.de

Brochure downloaden